Schetsboekje van Leo Gootjes

(Gearchiveerd bij OorlogsVerzetsMuseum Rotterdam onder nummer 8486)

Herinnering in zwart-wit

Dinsdag 27 januari 1942. Het derde jaar van de bezetting van Nederland door Hitler-Duitsland is bijna een maand oud. Het is bitter koud. De afgelopen nacht is het kwik gedaald naar 27 graden onder het vriespunt. De laagste temperatuur ooit in ons land gemeten. Overdag vriest het 10 graden en de sneeuw ligt meters hoog in de straten. In een schamel onderkomen aan de Beukelaarstraat 16b in de wijk Hillesluis, Rotterdam-Zuid, een wijk voornamelijk bevolkt door Brabanders en volk van de Zuid-Hollandse eilanden die de armoede ontvlucht zijn en hun geluk zoeken in de grote stad, woont een jonge echtpaar. Het zijn Rina Houthuizen en Leo Gootjes. Rina is afkomstig van Oude Tonge en Leo komt uit Melissant. Twee dorpen op Goeree Overflakkee. Rina is zeven maanden zwanger van haar eerste kind. Zij is in gezegende staat zoals dat toen heette. De klok slaat vijf uur in de namiddag. Tijd om de avondmaaltijd te bereiden. De potkachel waarop de maaltijd moet garen heeft te weinig vuur. Rina trapt houtjes kapot om de stookplaats meer leven in te blazen. Door het geweld van het trappen breken de vliezen en wordt het kind twee maanden te vroeg geboren. Een uitgedoofde potkachel bepaalt mijn geboortedatum en mijn intrede in de wereld. Een wereld die in brand staat. Tijd om mij voor te stellen. Theo is mijn naam. Voluit Theodorus Leonardus. De eerste naam is vernoemd naar mijn grootvader Dirk Gootjes en de tweede naam naar mijn vader Leo Gootjes.

De eerste maand van mijn ondermaanse en ondermaatse bestaan breng ik door in een couveuse in de kraamkliniek aan de Henegouwerlaan. Eind februari ben ik levensvatbaar en mag naar huis. Door mijn komst is de woning aan de Beukelaarstraat te klein geworden. Het jonge gezin verhuist naar de van Haeftenstraat 16b. De ouders van mijn vrouw wonen op 16a. Opa en opoe Houthuizen. Mijn vroegste herinnering begint als er een razzia aan de gang is. Het is de razzia van 11 november 1944. Ik ben dan ruim twee jaar. De beelden die mijn geheugen heeft opgeslagen zijn in zwart wit. Mijn brein heeft dat zo bepaald. Kleuren zijn uitgefilterd. Kleur hoort bij het leven. Zwart wit bij de dood, bij oorlog. Het is aan het eind van de middag. Mijn vader ligt in bed. Hij heeft ossengal gedronken en daarna uitgespuugd om zo een maagbloeding te suggereren en daardoor te zwak is om afgevoerd te worden. Vanaf de straat klinken bevelen en stampende laarzen die steeds dichterbij komen. Aan het hoofdeinde staat mijn moeder. Zij is in verwachting van haar vierde kind. In haar armen houdt zij mijn broertje Piet. Aan haar rokken mijn zusje Fia en ik. Gehuld in de schemer wachten wij zwijgend de gebeurtenissen af. De plompe laarzen komen dichterbij. En houden stil bij onze voordeur. Dan klinkt er gebeuk van hout op hout. Met een geweerkolf wordt de deur opengebroken gevolgd door driftige stappen op de trap. De deur zwaait open en er verschijnt een Duitse soldaat met zijn geweer in de aanslag. Hij richt zijn geweer op mijn vader en beveelt hem op te staan en mee te gaan. De pot met ossengal maakt geen indruk. Mijn vader maakt geen aanstalten om op te staan en blijft liggen. De soldaat in verwarring gebracht dor dit lijdzame verzet roept om versterking. Even later verschijnt een officier in onze kamer. Hij aanschouwt de situatie, wijst op mijn zwangere moeder, Salueert en vertrekt met zijn ondergeschikte. ’s Nachts wordt mijn broertje Adri geboren.

Theo Gootjes